Waterlands Archief - centrum voor regionaal historisch onderzoek

Beemster verhalen

Volksverhalen  

Op de Beemster Kermis  
In de Beemster was kermis. Er was een waarzegster. Verschillende paren gingen er heen. Ze konden dan in den zoogenaamden zwarten spiegel hun bruigom of hun doodkist etcetera zien.
Eén meisje riep de vrouw evenwel apart en zei: "Voor je in den spiegel kijkt, moet ik je wat zeggen. Jij bent arm, maar een rijk heer uit Gelderland zal op je verlieven. Jij zult ook van hem houden en je zult een gelukkig huwelijk hebben. Ziezoo, kijk nu maar in den spiegel. Kijk hem nou goed an, want hij is hier op de kermis en je zult hem wel ontmoeten."
Zij giegelde het uit van pleizier en vertelde het aan de anderen. Toen ze een paar uur later in het heerenhuis aan de Buurt in de Beemster kwam, kwam een net jong mensch op haar af. Zij begon hevig te blozen. Geplaag natuurlijk van haar vriendinnen. Zij danste evenwel toch met dien heer, bleef den geheelen avond bij hem, hij had geld, kwam uit Gelderland en ze is later met hem getrouwd.

Bron: Verhalenbank Meertens Instituut, ID CBAK0198

Verhalen over Platte Thijs

Onder boerderij Rijperweg ligt schat van Platte Thijs
De boerderij van Maarten Spaans aan de Rijperweg in de Beemster draagt geen naam. Alleen maar een jaartal, maar dat wijst er dan ook op dat deze boerenplaats al meer dan 200 jaar oud is. Anno 1721 staat er op de voorgevel. Weliswaar dus niet de oudste boerderij in de Beemster, maar oud genoeg om historie te hebben gemaakt. En wat voor historie!
Niemand minder dan het spook “Platte Thijs” was er in gehuisvest. In de schoorsteen nog wel, dus pal boven de plaats, waar in radio- en t.v.-loze tijdperken de boer en zijn gezin zich op de winteravond na gedane arbeid om het haardvuur schaarden, waar de burenvisite werd onthaald op verhandelingen over de stand van het vee, de wintervoorraad, de huisslacht en de laatste nieuwtjes uit de buurt. Kortom, “Platte Thijs" zat vlak boven de plaats waar hij de gesprekken over koetjes en kalfjes kon aanhoren. En meermalen gaf hij zelf aanleiding tot gesprekstof.

Zijn geest huisde in de schoorsteen
Als de najaars- en winterstormen om de hoeve gierden, rammelden aan deuren, vensters en luiken, als de dakpannen roffelden onder hun striemende gesel, dan keken de bewoners elkaar met strakke gezichten aan. Ze hoefden er niets bij te zeggen want ieder van hen wist het: “Platte Thijs" ging weer danig te keer. En als de boer en zijn vrouw zelf op burenvisite waren en de knecht en de meid alleen thuis bleven, dan waagden ze het niet zonder absolute noodzaak naar de stal of de zolder te gaan, want in de stilte van de boerderij hoorden zij het duidelijk: Platte Thijs liep op zolder. Ze hoorden het aan het kraken van de zolderdelen en het gerammel van de koekettingen. Zonder te zien zagen zij zijn gestalte door de stikdonkere stal waren en de koeiekoppen zich naar hem omwenden. Wie was die mysterieuze persoon, die Platte Thijs?
Hoe hij werkelijk heette weten we niet, evenmin als hoe hij aan zijn bijnaam kwam, maar hij hééft bestaan, al moeten we ook op de vraag "wanneer?" het antwoord schuldig blijven. Het moet wel minstens een dikke eeuw geleden geweest zijn en naar de heer G. Köhne te Z.O.-Beemster, kenner van folklore en geschiedenis in dit gewest bij uitstek, ons verhaalde moet Platte Thijs in of bij Hoorn domicilie hebben gehad.

Tientoon én Elfrib
Platte Thijs was een kerel om voor uit de weg te gaan. Hij kende geen onderscheid van mijn en dijn en was nog voor de duivel niet bang. Bij zijn leven moet hij al de schrik van stad en gewest zijn geweest en zijn naam alleen al was voldoende om als stok achter de deur te worden gebezigd, als staande op één lijn met de „Bullebak", de „Tientoon" en de „Elfrib".

De Platte zelf
Het moet eens zijn gebeurd dat in een herberg in Avenhorn, waar behalve „koffij" nog andere geestrijke zaken werden geschonken, een veehandelaar aan het gezelschap rondom de tafel met luider stemme verklaarde dat hij „nog voor Platte Thijs niet bang was". Zijn woorden waren nog maar amper koud of daar stapte Platte Thijs in hoogsteigen persoon de gelagkamer binnen. Z’n entree was voldoende om de boeren rondom de tafel van schrik en angst in elkaar te doen krimpen. Maar hij deed hun niets. Alleen de overmoedige veehandelaar, die met de bierkroes, in de opgeheven hand zijn woorden kracht wilde bijzetten door de kroes dreunend op de tafel te laten neerkomen kon dit voornemen niet ten uitvoer brengen: hij was, doordat Platte Thijs hem bij zijn entree slechts even had aangekeken, verstijfd als een stuk steen. En zo heeft hij urenlang moeten staan, voor straf, omdat hij niet bang was voor de Platte.

Duivelsdienaar
Deze schrikwekkende verschijning heette dus ook al te beschikken over duivelse krachten en machten. Het kon dus niet uitblijven of na zijn dood zou hij blijven rondspoken. Hoe en waarom hij nu eigenlijk in de boerderij aan de Rijperweg terecht is gekomen weten we niet. Maar de overlevering wil nu eenmaal dat zijn geest daar en nergens anders in de schoorsteen ging wonen. Zijn schatten, door stelen en brandstichten verkregen, verborg hij onder de vloer van de kelder. Daar moeten ze dan nog zitten, want noch de heer Spaans, noch zijn vader, noch zijn grootvader nebben ooit pogingen gedaan die er uit te halen. En Platte Thijs zelf, of althans zijn geest? Geen mens die hem ooit meer heeft gezien of gehoord sinds de radio in de boerderij zijn intrede heeft gedaan. Maar nog in de tijd dat de „poepen" op de boerderij kwamen voor de hooibouw waagden die het niet 's nachts op zolder te slapen, want toen was Platte Thijs er nog: de maaiers hadden toch zeker zelf gezien dat de wielen van de wagens op de dars „zo maar van zelf" begonnen te draaien! t Is allemaal al lang geleden, maar wie het ’t laatst verteld heeft leeft nog.

Bronnen: Verhalenbank Meertens Instituut, ID FAB073

Nieuwe Noordhollandse Courant, 9 oktober 1959 

Terug naar Waterlandse verhalen