Waterlands Archief - centrum voor regionaal historisch onderzoek

Marker verhalen

Volksverhaal 

Bij de slaapster 

In een Marker interieur, ca. 1845. Een Marker visser werd voortdurend bestolen: er ging geen week voorbij of hij miste enkele kwartjes. Daarom ging hij naar de slaapster (somnambule) in Amsterdam en daar deed hij zijn verhaal. "Wat wil je dat ik doe, schipper?" vroeg de slaapster. "Kun je de dief niet het bloed onder de nagels uitpersen", antwoordde de Marker, "zodat ie het stelen voorgoed verleert?" "Ik ken haar wel plagen. Maar voor hoe lang wil je dat ik dat doe; voor een week, voor een maand, voor een jaar? Je hebt het maar voor het zeggen." "Dan voor levenslang." "Dat ken", zei de oude slaapster. "Wat meer is, het zal gebeuren. Op jouw verzoek zal ik haar plagen, zolang als ze leeft." "Is het een vrouw? " wilde de Marker nog weten. "Nee, ik zeg het je niet, nog niet, beste man. Je moet nooit te veel willen weten."

Twee maanden later kwam de Marker weer in Amsterdam bij de slaapster. "'t Was mijn dochter", zei hij, "en je wist het." "Ziet ze wat?" vroeg de oude vrouw. "Ja", zei de visser, "elke nacht die God geeft ziet ze een witte hond, een helemaal witte hond. Ze hoort hem al uit de verte aankomen en met zware poten door het steegje lopen. Dan schuurt hij langs de regenton. De deur gaat open en hij komt de gang binnen. Hijgend ligt hij nog lang voor de deur eer hij binnenkomt en ze hem ziet. Dan komt er een zwarte kip met grote moeite door het venster gefladderd. Ze trippelt door de kamer, vliegt naar het bed en gaat op de rand zitten. Dan wiegelt ze heen en weer, al maar heen en weer... Mijn dochtertje krijgt het benauwd, o zo benauwd. Ze wil wel gillen, maar ze kan niet en dan slaat ze met haar armen en benen. Weg! Weg! Maar de zwarte kip blijft wiegelen en de witte hond blijft hijgend voor haar bed liggen en o God, o God..." De visser huilde met lange uithalen. De slaapster, die tegenover hem zat, zei: "Er is niets meer aan te doen. Je hebt het trouwens zelf gewild, maar ze zal gauw doodgaan; laten we zeggen over een maand of drie."

Drie maanden later stierf het meisje ginder op Marken in de Kerkbuurt. Tot in haar laatste ogenblikken heeft ze de beide dieren gezien en gehoord: de witte hond die zo hijgde en de zwarte kip die op de rand van het bed heen en weer wiegelde.

Bron: Verhalenbank Meertens Instituut, ID SWATER01
 

Historische verhalen

De zee geeft en de zee neemt
Het eiland Marken leefde vroeger van de zee. Beter gezegd: van het zilver van de zee, oftewel de vis, die de Markers – net als de Volendammers – in enorme hoeveelheden uit zee visten. Op oude prentbriefkaarten en oude foto’s zie je de Marker haven dan ook vol vissersschepen liggen. Als bestaansbron was de zee voor de Markers dus een ‘vriend’. Maar de zee had ook een andere kant ….

Vis bracht brood op de plank
Hoezeer de Markers vroeger van de zee leefden laten de cijfers zien. In  het jaar 1905 bestond de Marker vissersvloot uit 139 botters en nog een twintigtal kleinere schepen. Allemaal voor de visserij op de voormalige Zuiderzee (nu IJsselmeer). Die vloot werd door in totaal 346 mannen (soms jongens) bemand. Op een kleine bevolking van zo’n 1400 zielen is dat veel, heel veel. En daarnaast werkten nogal wat Markers als bemanningslid op Vlaardinger, Scheveningse of Katwijker haringloggers, die op de Noordzee visten. Al met al waren verreweg de meeste kostwinners op Marken  visser of bemanningslid van een vissersschip. Het was dus de vis, die op Marken brood op de plank bracht.

Maar die vis werd duur betaald
De zee gaf Marken op die manier veel en kon dan ook als ‘vriend’ beschouwd worden. Al werden de Markers er niet rijk van en was het hard werken. En een gemakkelijke vriend was de zee ook niet altijd, want de vis werd soms duur betaald, zoals dat heet. Nogal wat Marker mannen of jongens zijn op zee gebleven. Zo staat helemaal in Lerwick op de Shetland eilanden het graf van de in 1904 verdronken Jan Kes. Hij moet over boord gevallen en verdronken zijn. Of hij later is aangespoeld of dat men zijn lichaam toch nog op een of andere manier aan boord heeft weten te krijgen vertelt het verhaal niet. En Jan Kes was bepaald de enige niet. De Noordzeevisserij maakte overigens de meeste slachtoffers, meer dan de visserij dicht bij huis op de Zuiderzee, hoewel ook die gevaarlijk kon zijn. 

Zomaar twee vissersgezinnen
Wie ook van de zee leefden waren Klaas de Waart en Jaap Stooker, beide Marker vissers. Klaas de Waart (1877-1916) was in 1908 getrouwd met Lijsbeth van Riel (1876-1916) en zij hadden twee kinderen: Simon (geboren in 1912) en Lobberig (geboren in 1914). Of Klaas een eigen botter had of als bemanningslid voer weten we niet. In het Bevolkingsregister vinden we als beroep visser opgegeven. En dat geldt ook voor Jaap Stooker (geboren in 1888), die als oudste broer zorgde voor zijn vijf jongere broers en zussen: Jan, Klaas Wolmet, Pieterje en Jannetje. Klaas en zijn gezin woonde op de Witte Werf en Jaap Stooker met zijn broers en zussen op de Groote Werf. Het zijn zomaar twee Marker vissersgezinnen, maar voor hen zou de zee zich van zijn wreedste kant laten zien.

De zee neemt…
Slecht weer was het in de eerste weken van 1916. Bar slecht werd het op 11 en 12 januari toen een noordwester storm enorme massa’s water door de zeegaten naar binnen joeg en de het waterpeil op de Zuiderzee tot drie meter boven NAP deed stijgen. De wind kromp de volgende dag naar het westen en met het aanhouden van de storm kreeg het in de Zuiderzee opgestuwde water geen kans bij eb terug te keren. Het was die combinatie van storm en extreem hoog water die de Waterlandse zeedijk in de nacht van 13 op 14 januari 1916 noodlottig werd. De dijken braken op tal van plaatsen en een enorme overstroming was het gevolg. Maar nog veel erger teisterde de zee het slechts door lage dijken beschermde eiland Marken.  Zestien slachtoffers waren hier te betreuren en de ravage was enorm. Veertien tot twintig huizen werden totaal vernield, vrijwel alle andere liepen schade op. In de haven zonken twintig botters, andere werden door golven op de kade geworpen. Aan Gerrit Jan Honig uit Zaandijk vertelde een van de eilanders:
“Wat een angst hebben we uitgestaan. Ziet ge daar de woning van Klaas de Waard, zijn huis werd door de vloedgolf opgenomen, en dreef met de zee op en neer. Klaas trachtte zich in de dakgoot te redden, steeds om hulp roepende, doch niemand kon hem helpen. Tot diep in de nacht hoorde men zijn hulpgeschrei. Eindelijk werd het stil. Klaas had zijn graf in de golven gevonden, en met hem zijn vrouw en twee kinderen”.
En op de Groote Werf werden Wolmet, Pieterje en Jannetje Stooker in hun slaapkamer door het water verrast. Anders dan hun broer Klaas, die naar de zolder wist te vluchten konden ze niet meer wegkomen en verdronken. Ze waren respectievelijk 24, 22 en 14 jaar oud. Ze schijnen hand in hand liggend gevonden te zijn.

Een vijand bedwongen. Een vriend uit het oog verloren
De stormramp van 1916 maakte diepe indruk en gaf de plannen tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee, zoals door minister Cornelis Lely opgesteld, de wind in de zeilen. Twee jaar later werd zijn Zuiderzeewet door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. In 1927 werd begonnen met de aanleg van de Afsluitdijk die in 1932 voltooid werd. De Zuiderzee was IJsselmeer geworden. De zee als vijand was bedwongen. Maar van de betekenis van de zee als vriend bleef ook niet veel over. In het zoete water van het IJsselmeer kon weliswaar op paling gevist worden, maar deze visserij verschafte veel minder vissers een bestaan dan de haring- en ansjovisvangst van vroeger. De vissersvloot kromp en kromp. In 1932 stonden op Marken nog 82 schepen geregistreerd, in 1936 nog 58, in 1951 nog 10 en in 1962 voer de MK 53 van Hein Zeeman als laatste botter de haven van Marken uit. Met als bestemming het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. De zee als vriend was een herinnering geworden.

Bronnen:
H.P. Moelker, De Stormvloed in Waterland januari 1916, pagina 67 en 69
Verhalenbank Oneindig Noord-Holland:  De watersnood van 1916, Aeternitati Vigila: waakt immer!

Terug naar Waterlandse verhalen