Vroeger ging het zoeken van de liefde er in onze regio heel anders aan toe dan nu. Geen datingapps, geen snelle ontmoetingen en al helemaal geen anonieme afspraakjes. Wie verliefd werd, deed dat in het zicht van het hele dorp. In oude boeken, die nu bewaard worden in het Waterlands Archief, lezen we hoe vastomlijnd en ritueel dat proces ooit was.

Tot ver in de negentiende eeuw was trouwen namelijk geen vanzelfsprekendheid. Het huwelijk gold als een vorm van luxe. Je kon pas trouwen als er voldoende geld was gespaard en als er uitzicht bestond op een stabiele toekomst. Voor veel mensen was dat niet weggelegd. Zij bleven ongehuwd of gingen werken als knecht of dienstmeid, vaak met kost en inwoning. Toch werd het huwelijk gezien als de ideale levensstaat. Vooral voor vrouwen waren de alternatieven beperkt: trouwen, het klooster in of werken als dienstbode. Pas na een huwelijk had men status en kon men zelfstandig wonen. Wie ongehuwd bleef, had – zoals men toen zei – de boot gemist.

Opvallend genoeg was liefde lange tijd niet de belangrijkste reden om te trouwen. Dat veranderde pas in de afgelopen twee eeuwen. Daarvoor speelden vooral praktische en rationele overwegingen een rol. Hoe hoger de sociale stand en hoe groter het vermogen van een familie, hoe meer invloed de ouders hadden op de huwelijkskeuze. In zekere zin hadden juist mensen uit de armste lagen de meeste vrijheid om zelf te kiezen, al gold ook toen: soort zoekt soort. Je hoorde in je eigen kring te blijven.

In de streek Waterland – met dorpen als Purmerend, Ilpendam, Edam en Monnickendam – had het hofmaken iets bijna ceremonieels. Jongens en meisjes leerden elkaar kennen op kermissen, jaarmarkten, ijsbanen of tijdens de zondagse wandeling na de kerk. Die ontmoetingen vonden altijd in het openbaar plaats. Openlijk flirten was niet gewenst; alles ging met een zekere ingetogenheid. Dorpsgenoten keken mee, en dat was ook precies de bedoeling.

Tot diep in de twintigste eeuw kende vrijwel elke gemeente een vaste plek waar jonge mensen op zondagavond samenkwamen om te flaneren. In de Zaanstreek stond dat bekend als de ‘billenavond’. Jongens liepen in groepjes aan de ene kant van de weg, meisjes aan de andere. Er werd gekeken, gegiecheld en afgewacht. Later op de avond namen de jongens het initiatief. Dat ging er soms plagerig aan toe: een duw in de rug, een ruk aan het haar of het afpakken van een zakdoek of hoedje. Van meisjes werd verwacht dat ze protesteerden; te veel enthousiasme tonen was onverstandig. Zoals andere meisjes plagerig zongen: “Meisjes die viooltjes dragen, mag je kussen zonder vragen.”

Een volgende, serieuzere stap was het zogeheten venstervrijen. De jongen stond ’s avonds buiten, terwijl het meisje binnen bij het raam zat. Zo konden ze praten zonder dat het onbetamelijk werd gevonden. Soms mocht de jongen op een krukje zitten, maar vaak bleef hij gewoon staan – weer of geen weer. Dat hij bleef terugkomen, gold als bewijs van serieuze bedoelingen.

In veel Waterlandse gezinnen was toestemming van de ouders onmisbaar. Moeder hield discreet toezicht, maar vader had vaak het laatste woord. Had de jongen werk? Bezit? Vooruitzichten? Pas na verloop van tijd mocht de vrijer binnenkomen en mee-eten, een duidelijk teken dat het ernst werd. Kleine cadeautjes, zoals een zakdoek, een lint of iets zelfgemaakts, onderstreepten die bedoeling. En wie zijn meisje meenam naar de veemarkt of kermis, liet meteen aan het hele dorp zien dat het menens was.

Was het eenmaal zover, dan werd er groots uitgepakt. Tot ver in de negentiende eeuw waren huwelijksfeesten van meerdere dagen heel gewoon, vooral bij de boerenstand. Daar speelde geld een rol, maar ook traditie. Een belangrijke taak was weggelegd voor de zogenoemde speelmaats of speelnoten: de bruidsjonkers en bruidsmeisjes. Zowel bruid als bruidegom had er twee. Hun werk begon al zodra het paar in ondertrouw ging.

De speelmaats versierden het huis waar de bruiloft zou plaatsvinden. De mooiste tapijten werden opgehangen en door het hele huis verschenen slingers van maagdenpalm. Die plant had een duidelijke symbolische betekenis: als groenblijvende bodembedekker stond zij voor trouw en onsterfelijkheid. Niet voor niets werd maagdenpalm ook veel op kerkhoven geplant.

Palmknoopen, door Bernard Picart (1732), een vrijgezellenavond onder regenten – Foto uit het boek Volksgebruiken in Nederland : een nieuwe kijk op tradities; Auteur : J.L. de Jager; uit de bibliotheek het Waterlands Archief. https://proxy.archieven.nl/131/346C64D34B2A44259817B6D0183FFAC2

In Purmerend liep het versieren soms zó uit de hand dat het stadsbestuur in 1766 ingreep. Het zogenoemde ‘palmknopen’ was daar zo populair geworden dat er volgens de vroede vaderen sprake was van wanorde en losbandigheid onder de jeugd. Voortaan mochten alleen familie en naaste vrienden nog meedoen, op straffe van een hoge boete. Toch verdween het gebruik niet. Schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken beschreven het eind achttiende eeuw nog levendig in hun werk.

Beschrijving van het Palmknopen op 8 juni 1776 – inventaris 0054/23 Resoluties van burgemeesters en vroedschap, 1577-1795, met achterin alfabetische index op onderwerp, 1642-1702, 1710-1729 https://proxy.archieven.nl/131/E5F5D07DD7E92E46E053CA00A8C0692C

Niet alleen het huis werd versierd, ook allerlei voorwerpen. Kaarsen kregen linten en strikken, en er werd een speciale bruidskroon gemaakt: van hoepels, omwikkeld met rozemarijn en versierd met vlaggetjes, hartjes, cupido’s of ineengestrengelde handen. Tijdens de bruiloft zat het bruidspaar bij belangrijke momenten onder die kroon, bijvoorbeeld tijdens het feliciteren en de maaltijd.

De huwelijksplechtigheid zelf was vaak sober, maar het feest daarna allesbehalve. Er werd volop gegeten en gedronken, vooral brandewijn, en er werd gezongen en gedanst. De eerste huwelijksnacht bracht het bruidspaar vaak door bij buren of bekenden. De volgende ochtend ging het feest pas verder nadat het paar ceremonieel was opgehaald: ‘onder het laken’, begeleid door muziek en luidruchtige gasten.

Boerenbruiloft in Landsmeer circa 1976. In oude klederdracht wordt er gegeten en gefeest. WAT001001917 https://proxy.archieven.nl/131/96E2C60266F411E3A78DDB882C244208

In de Beemster ging het er rond 1800 nog uitbundiger aan toe. Terwijl het bruidspaar probeerde te rusten bij de buren, trok een feestelijke optocht hen achterna. Voorop liepen boerenjongens met brandende kaarsen in een bos takken. Muzikanten maakten een oorverdovend lawaai met ketels, tangen, asschoppen en zelfs een biervat als trom. Achteraan liep iemand met een grote pot brandewijn met suiker en beschuit.

Bij aankomst werd over de brandende takkenbos gesprongen en eromheen gedanst, terwijl iedereen dronk uit houten lepels. Al snel werd ook het bruidspaar gesommeerd mee te doen. Het feest duurde tot de kaarsen waren opgebrand en de takken tot as waren vergaan. Of het bruidspaar daarna eindelijk mocht slapen, vermeldt de overlevering helaas niet.

Wat wel duidelijk wordt, is dat liefde, trouwen en vieren in de streek Waterland nooit een privézaak was. Van het eerste flaneren tot het laatste glas brandewijn: alles gebeurde in het openbaar, gedragen door rituelen, symboliek en een gemeenschap die altijd meekijkte.

“Zachtjes rijen want hier liggen Peter en Betine te vrijen.” Spandoek opgehangen voor een Purmerend huis in 1992. Foto gemaakt door Han Giskes. WAT001015183 https://proxy.archieven.nl/131/B1ABF5D066F411E3BD3DCB9653B422F6